Text 1

Text 2

 

Cf. unter 1790 und 1792 hier. Siehe auch hier.

 
Algemeene Konst- en Letter-Bode voor het Jaar 1817. – No. 46. Dingsdag den 4den November.

Korte Herinnering van den Levensloop van Johann Heinrich Jung genaamd Stilling. Naar’t Hoogduitsch.
De Groot Hertogelijk Badensche Geheim-Hofraad Johann Heinrich Jung, genaamd Stilling, die den 2den April dezes jaars te Karlsruhe aan een verval van krachten overleed, werd den 12 September 1740 in het kleine Dorp Imgrund, in het Nassau-Siegensche gelegen, geboren. Zijn leven heeft hij zelf in het zoo veel gelezen Boek: Stilling tot zijne grijsheid toe met eene waarheid en openhartigheid beschreven, welke terstond ieder voor den steller innamen. Het laatste deel daarvan, Stillings Alter, en tevens het laatste werk, waarmede hij zich bezig hield, is ter perse en zal binnen kort het licht zien. Vooronderstellende, dat de voornaamste oogenblikken zijns levens slechts aan weinigen onbekend zijn, beschouwe men deze Levenssehets enkel als eene Herinnering.
Als de zoon van arme landlieden, moest hij in den beginne het Kleedermakers ambacht leeren; maar zijne reeds vroeg hooger zwevende buitengewone kracht van geest, met dadelijke vroomheid vereenigd, voerde hem van schrede tot schrede, als Schoolmeester, Kantoorbediende, Huisleeraar, Geneesheer, openlijk Leeraar in de Kamerale Wetenschappen, door een rusteloos werkzaam veelbevattend leven tot zulk eenen trap van vorming van geest en taal, en in zulk eenen werkkring als zelden een’ man van zijnen stand ten deel valt, en die hem vrienden in alle deelen der aarde verwierf. Te Straatsburg studeerde hij in de Geneeskunst en hier werden Göthe en Herder, die ter gelijker tijd zich in deze stad bevonden, zijne Akademievrienden, eene verbindtenis, welke Göthe belangrijk genoeg achttte, om in zijn leven te vermelden. Te Elberfeld praktiseerde hij, na de voltooijing zijner Geneeskundige studien, als Geneesheer, en vond in den aanvang tegen zijn oogmerk gelegenheid, om het ligten van den Katarakt te beproeven. Maar deze proef flaagde zoo gelukkig, dat weldra eene menigte lijders aan den Katarakt tot Jung hare toevlugt nam, en door de bekwaamheid zijner hand het gezigt terugkreeg. Het aantal derzelve vermeerderde dagelijks en, reeds verscheiden jaren geleden, beliep dat der door hem van den Katarakt genezene, waaronder zelfs vele blindgeborenen waren, meer dan tweeduizend    Nog verscheiden kwamen daar later bij, en in zijnen hoogen ouderdom was zijne hand, hoewel zijne krachten dadelijk vervielen, nog vast genoeg, om velen met den gelukkigsten uitflag van den Katarakt te bevrijden. Hierin legde hij eene zeldzame belangeloosheid aan den dag. Van armen, door hem genezen, nam hij niet alleen voor die bewerking niets af, maar liet hen ook met geschenken heengaan en verblijdde hen zoo dubbeld. Op zijne wetenschappelijke loopbaan kwam hij in het Kameralistischen vak en bij de vestiging van eene Hoogeschool voor hetzelve te Kaiserslautern door den Keurvorst van den Palts Karl Theodor, de eerfte inrigting van dezen aard in Duitschland (1774), werd hij een der eerste en verdienstelijste Leermeesters bij dezelve. Met deze zelfde inrigting werd hij in 1784 naar Heidelberg verplaatst; maar eenige jaren later als openbaar Leeraar in dit vak bij de Universiteit te Marburg beroepen. Hij was een der eerften, in Duitschland, die dit vak wetenschappelijk bearbeidden en het ijs braken. Ook schreft hij Leerboeken over alle takken van hetzelve, over de Finantie- Politie-kennis Veeartsenijkunde enz., welke Leerboeken nog heden op vele Universiteiten ten leiddraad der Lessen gebezigd worden.
Door eene hem bijzondere eigene vaardigheid van den geest viel het hem gemakkelijk, iedere wetenschap geheel meester te worden, aan welker beoefening hij gelegenheid vond zich toetewijden. Zijne mondelinge voordragt was bij uitstek levendig en klaar, en niet ligt mislukte het hem, om de belangneming en de geheeIe aandacht zijner toehoorders te boeijen. Zoowel hierdoor, als door zijne Geschriften (*), verbreidde zich zijne roem als Akademisch leeraar tot in de ver verwijderste gewesten; en wie eenmaal zijne toehoorder geweest was, bleef aanhoudend met hartelijke liefde en dankbaarheid aan hem verkleefd. Intuschen gevoelde hij in zijn gemoed eene sterke en levendige roeping, om Christelijke godsvrucht en deugd te bevorderen, welke alle zijne overige pogingen en aandrift tot werkzaamheid nog verre te boven ging. Hij had het aan zijnen verheven vriend, den vereeuwigden Groot Hertog van Baden Karl Friedrich te danken, dat hij, zonder tot bepaalde werkzaamheden verpligt te zijn, naar Heidelberg en van daar naar Karlsruhe beroepen en daar in staat gesteld werd, om voor die godsdienstige roeping geheel te leven. Zoowel in het Letterkundige als door de uitgebreidste Briefwisseling en vooral door zijnen van grooten en geringen, en door menschen van de verschillendste denkwijzen gezochten, en wegens het vernuftige aan de eene, en het zoo gemoedelijke aan de andere zijde geachten omgang, heeft hij een’ grooten invloed op zijnen leeftijd uitgeoefend. Hoewel vele zijner godsdienstige bespiegelingen te individueel geweest mogen zijn en hier en daar dweeperij verwekt hebben; hij was zelf geen dweeper, in die mate, als velen zich hem voorstelden. Daartegen getuigde reeds zijn geheel voorkomen, zijne regte en verheven gestalte, zijn helder, open en zuiver oog, en nog meer een langduriger gesprek met hem, waarin altijd gezond onbeneveld verstand en juistheid in de beschouwing der menschelijke belangen doorblonken, welke met dweeperij niet zamen kunnen gaan. Als een braaf en ongeveinsd menschenvriend, wiens handelwijze uit de reinste en minst troebele bron voortvloeit, gedroeg hij zich in veelvuldige en zeldzame gevallen, zoo in het verborgen als openbaar; en de scherpste waarnemer van zijn gedrag zag zich genoodzaakt te erkennen, dat hij niet wilde schijnen maar dadelijk zijn. Als Christen was hij dit in den verheven zin dezes woords; zijne vroomheid, die hem door zijn geheele leven bijbleef, was ongekunsteld en het inwendige van zijn’ geest geheel ingeweven, ja de leidstar, waarheen zijne oogen onverwrikt gevestigd bleven. En zoo als hij geleefd had, betoonde hij zich bijzonder op zijn sterfbed; alleen scheen toen zijne geest, terwijl hij zich van zijn aardsche hulfel losmaakte, gelijk uit vcrscheiden uitdrukkingen bleek, reeds vele misschien te zinnelijke voorstellingen van den staat der menschcn na den dood en van de eeuwigheid tegen zuivere en meer gelouterde verwisseld te hebben.

 

(*) In ‘t Nederduitsch zijn daarvan onder andere vertaald uitgekomen: Zijne Kindschhcid, Jongelingsjaren en Vreemdelingschap; De graauwe Man, 5 st.; Theobald; De Geschiedenis der Overwinning van den Christelijken Godsdienst in eene algemeen nuttige verklaring der Openbaring van Joannes, 2 Deelen; Tooneelen uit het Rijk der Geesten, 2 Deelen; Theorie der Geestenkunde; Brieven over het Katholicismus en Protestantismus, 3 slukken; enz.

 

= Übersetzung aus Nr. 224 der Allgemeine Literatur-Zeitung "September 1817.", Sp. 125 ff.

 


Algemeen woordenboek van kunsten en wetenschappen,

voor den beschaafden stand en ten behoeve des gezelligen levens, onder medewerking van een aantal vaderlandsche geleerden bijenversameld door Gt. [Gerrit] Nieuwenhuis. [Bd. 3:] F – J. Zutphen: Thieme MDCCCXXII [1822], XVI, 700 S., hier S. 669-670:

 

JUNG. (Joh. Heinr.) genaamd Stilling, was geheim hofraad van den groothertog van Baden, en werd, in 1740, in een klein dorp in Nassau-Siegen geboren. Zijn leven heeft hij zelf in zijn zooveel gelezen boek, Heinrichs Stillings Jeugd, Jongeling-jaren en Vreemdelingschap, naar waarheid en met openbartigheid beschreven. Als de zoon van arme landlieden, moest hij in den beginne het kleermaken leeren ; doch zijn reeds vroeg hooger zwevende geest, met ware vroomheid vereenigd, voerde hem, van schrede tot schrede, van schoolmeester, kantoor-bediende, geneesheer, openlijk leeraar in de kamerale wetenschappen , door een rusteloos werkzaam en veel bevattend leven, tot zulk eenen trap van vorming van geest en taal, als zelden een man van zijnen stand ten deel valt.
Te Straatsburg oefende hij zich in de geneeskunde, en hier werden Göthe en Herder zijne akademie-vrienden. Te Elberfeld bekleedde hij, na het voltooijen zijner geneeskundige studicn, den post van geneesheer, en vond hier gelegenheid, om het ligten van de kataract te beproeven, waarin hij zoo gelukkig flaagde, dat hij aan een zeer groot aantal blinden het gezigt weder gaf. Hiervoor vorderde hij niet alleen niets, maar liet zelfs de behoeftigen, waaraan hij zijne voornaamste zorg wijdde, met geschenken henen gaan, Op zijne wetenschappelijke loopbaan kwam hij in het kameralistisch vak, en werd , bij het vestigen der hooge school te Keizerslauteren, in 1774, een der verdienstelijkste leeraars bij dezelve. In 1784, in het zelfde vak naar Heidclberg verplaatst, en eenige jaren [nein! Me] later naar Karlsruhe beroepen [nein!], was hij de eerste in Duitssland, die hetzelve wetenschappelijk bearbeidden, en het ijs braken. Ook schreef hij leerboeken over alle takken dezer wetenschap, over het finantiewezen, de polide-kennis, vee-artwenijkunde enz., welke nog tegenwoordig op hooge scholen gebruikt worden. Hij bezat eene ongemeene vaardigheid van geest, en eenen bij ultsek levendigen en luidelijken voordragt, waarbij het hem zelden mislukte, om de beangstelling en de geheele aandacht zijner toehoorders te boeijen. Zoo wel hierdoor, als door zijne schriften verbreidde zich zijn roem als akademisch leeraar, en wie eenmaal zijn onderwijs gehoord had, bleef altijd met hartelijke liefde en dankbaarheid aan boa verkleefd.
Intusschen gevoelde hij eene sterke en levendige neiging ter bevordering van godsvrucht en deugd, welke alle zijne overige pogingen en aandrift tot werkzaamheid nog verre overtrof. Hij had bet zijnen verhevenen vriend, den groothertog van Baden, Karl Friedrich, te danken, dat hij, zonder tot bepaalde werkzaamheid verpligt te zijn, naar [nein! Me] Heidelberg en van daar [nein!] naar Karlsruhe beroepen, en hier in de gelegenheid gesteld werd, om voor zijne godsdienstige neiging geheel ta leven. Zoowel in het letterkundige, als door de uitgebreidste briefwisteling, en zijnen, bij menschen van verschillende denkwijze, gezochten en gemoedelijken omgang, heeft hij eenen grooten invloed op zijne tijdgenooten geoefend. Hoewel vele zijner godsdienstige bespiegelingen te individueel mogen geweest zijn, en hier en daar tot dweeperij aanleiding gegeven hebben, was hij zelf nogtans geen dweeper in die mate, als velen zich hem voorstelden; waartegen zijn geheel voorkomen, zijn open en helder oog, en nog meer een langdurig gesprek met hem, waarin altijd gezond, onbeneveld verstand, en eene juiste beschouwing der menschelijke belangen doorstraalden, reeds geruigden. Zoo als hij geleefd had, was ook zijn sterfbed; alleen scheen toen zijn geest, gelijk uit verscheidene zijner uitdrukkingen bleek, reeds vele, misschien te zinnelijke, voorstellingen van den staat der menschen na den dood en de eeuwigheid, tegen zuivere en meer gelouterde, verwisseld te hebben. Hij stierf te Karlsruhe den 2 van Grasm. 1817 aan een verval van krachten. Van zijne schriften zijn in onze taal, onder anderen, in het licht verschenen : Zijne Kindsheid, Jongelings-jaren en Vreemdelingsschap; de Graauve man; Theobald, de Gesckiedenis der overwinning van den Christelijken Godsdienst; Tooneelen uit het rijk der geesten; Theorie der Geestenkunde; Brieven over het Katholicismus en Protestantismus enz.

 


Siehe auch hier.

Siehe auch hier.